Achtergrond van China tot 1842
Hoewel het boek het Chinese keizerrijk laat beginnen in 1842, bestond het toen al meer dan 2000 jaar. Terwijl Europa na de val van het Romeinse Rijk in chaos verviel, bleef het centrale gezag in China – de keizer – gewoon doorbestaan. Het bleef een landbouwstedelijke samenleving. Hoewel er in die 2000 jaar opstanden, invasies en nieuwe keizerlijke dynastieën waren, werden deze steeds gevolgd door lange periodes van stabiliteit en eenheid. Ook hielden nieuwe keizerlijke families het oude bestuursysteem aan.
Het bestuur van China was gebaseerd op een oude ideologie: het confucianisme.
Transclude of school/6v/geschiedenis/h3---china/begrippen/confucianisme
De Qing-dynastie (1644–1912)
In de 19e eeuw regeerde de Qing-dynastie. Zij waren in 1644 aan de macht gekomen en waren Mantsjoes uit Mantsjoerije, een Chinese minderheid in China. De meeste Chinezen behoorden tot de grootste bevolkingsgroep: de Han-Chinezen. Na een periode van achteruitgang onder hun voorgangers, brachten de Qing een lange tijd van vrede, rust en welvaart.
Tussen 1650 en 1800 steeg de bevolking van 100 miljoen naar 300 miljoen mensen. Een op de vier mensen op aarde woonde in China. Er leefden meer mensen in China dan in heel Europa bij elkaar. China was het welvarendste rijk ter wereld. De Chinezen zagen hun land als het centrum van alle beschavingen en hadden weinig behoefte om iets van anderen te leren. In hun ogen moesten alle volkeren onder de Chinese keizer vallen.
De neergang van China
Vanaf 1800 verloor China zijn positie als regionale grootmacht door hongersnoden, politieke crises en corruptie. Het land werd ook wel “de zieke man van Azië” genoemd. Een van de symptomen was dat tientallen miljoenen Chinezen verslaafd waren aan opium. Hoewel de keizer in 1793 aan de Britse koning had geschreven dat China geen handel wilde – omdat het alles wat de Britten te bieden hadden zelf al in overvloed had – kochten Chinezen toch opium van de Britten, dat in India werd geproduceerd. Hoewel China de import verbood, lieten corrupte ambtenaren het toe.
Corruptie was de belangrijkste reden dat China ten onder ging.
Ambtenaren, die eigenlijk voor de bevolking moesten zorgen, persten deze af. Veel van hen hadden de mandarijnenexamens niet eens gehaald en hadden hun functie simpelweg gekocht. Zij probeerden zoveel mogelijk geld uit de bevolking te halen. Zo verdween het grootste deel van de belastinginkomsten, en werd het centrale bestuur ernstig verzwakt.
Imperialisme in China
In de 19e eeuw kreeg China ook te maken met modern imperialisme. Europeanen voerden al sinds 1500 handel met China voor producten zoals zijde, porselein en thee. Maar China liet weinig Europeanen toe. In 1757 wees de keizer Kanton (Guangzhou) aan als enige haven waar buitenlanders mochten komen. De Britten wilden echter meer.
Daarom kochten zij veel thee en ontwikkelden het tot hun nationale drank. In ruil verkochten ze opium. China kocht veel meer opium dan dat het zelf exporteerde, waardoor het land steeds armer werd.
Toen de keizer in 1839 ingreep door een miljoen kilo opium van de Britten in beslag te nemen en te verbranden, reageerde de Britse overheid woedend. Zij stuurde oorlogschepen die de Chinese kust bombardeerden en Chinese schepen tot zinken brachten.
De Eerste Opiumoorlog (1839–1842)
Deze oorlog toonde aan dat de wereldwijde machtsverhoudingen door de Wetenschappelijke Revolutie en de Industriële Revolutie grondig waren veranderd. De Chinezen waren kansloos tegen de technologisch en organisatorisch superieure Britten.
In 1842 tekende de keizer het Verdrag van Nanking, waarin werd bepaald dat:
- De Britten in vijf havensteden handel mochten drijven.
- China de Britse handelaars moest compenseren voor de vernietigde opium.
- China Hongkong afstond (pas in 1997 teruggegeven aan China).
Hongkong groeide uit tot een belangrijke Brits-Chinese handelsstad.
Na de Britten dwongen ook andere landen China tot ongelijke verdragen. Terwijl buitenlandse mogendheden steeds meer eisten, probeerde China onder de afspraken uit te komen. Dit leidde tot de Tweede Opiumoorlog (1856–1860). China verloor opnieuw, en een Frans-Britse troepenmacht bezetten Peking. China moest nog eens 10 havens openstellen, en de opiumhandel werd volledig vrijgegeven.
Andere imperialistische mogendheden zoals Duitsland, Nederland, Rusland en de VS verkregen ook handelsrechten in de verdragshavens. Zij hadden extraterritoriale rechten: rechten van hun eigen staat in China. Deze buitenlanders leefden in concessies – aparte gebieden in China waar hun eigen rechtspraak en wetten golden. De Chinese overheid had daar niets over te zeggen.
China’s reactie op westerse invloed
De hongersnoden, de vernedering door buitenlandse aanwezigheid, het opiumprobleem en de corruptie zorgden ervoor dat het volk ontevreden was over de keizer. De onvrede onder boeren leidde in 1851 tot de Taipingopstand (1851–1864).
De opstandelingen kwamen vooral uit Zuid-China en riepen op om zich te verzetten tegen de “Mantsjoe-duivel” – zoals zij de Qing-dynastie noemden. Zij predikten een Chinese versie van het christendom, waarbij de leider zichzelf zag als zoon van God en broer van Jezus. Hij gaf de opdracht om China te bevrijden van het “geloof van de duivels”: het boeddhisme. Overal liet hij beelden, tempels en andere heiligdommen vernietigen.
Op het hoogtepunt van de opstand hadden de Taiping een derde van China in handen. Hun ideeën en strijdmethoden leken sterk op die van de latere Chinese communisten:
- Zij schaften prive-bezit af.
- Zij verwierpen het confucianisme].
- Zij verklaarden mannen en vrouwen gelijk.
- Zij keerden zich tegen luxe en genotzucht.
Gelijktijdig met de Taipingopstand ontstond in het noorden de Nianopstand (1851–1868). Hun motto was: “Dood de rijken en help de armen.” Met grote moeite en met hulp van de Fransen en Britten versloeg de Chinese regering in 1864 de Taipingopstand en in 1868 de Nianopstand. Dit leidde tot miljoenen doden, plus nog eens 10 miljoen door geweld en 20 miljoen door honger en ziekte.
De Zelfversterkingsbeweging
Als reactie op de opstanden en buitenlandse invloeden ontstond er een beweging binnen het hof: de hervormers. Hun doel? De Zelfversterkingsbeweging: China moest weer een machtig, welvarend en zelfstandig land worden, waar de bevolking van de keizer hield. Om het buitenland te verslaan, moest China van hen leren – net zoals Japan dat had gedaan.
De beweging boekte resultaten op economisch, militair en bestuurlijk gebied, maar veranderingen in de steden bleven beperkt. Op het platteland, waar de meeste mensen woonden, was van vernieuwing weinig te merken. In de steden kwamen weinig fabrieken, omdat deze al in buitenlandse handen waren.
Tegelijkertijd werden de hervormers tegengewerkt door conservatieven. Zo opende in 1877 de eerste spoorlijn in Shanghai, maar de lokale autoriteiten besloten de rails weer af te breken en het hoofdstation te veranderen in een tempel.
De nederlaag tegen Japan en verdere vernedering
Ondanks de Zelfversterkingsbeweging raakte China achterop. Dit werd pas echt duidelijk toen Japan Korea aanviel – een land dat ooit een Chinese provincie was. Hoewel China militair volop moderniseerde, waren de Japanen net iets beter. De oorlog tegen Japan (1894–1895) eindigde in 1895 met een vernederend vredesverdrag.
De zwakte die China hier toonde, zorgde ervoor dat andere landen zoals Duitsland, Rusland, Italië, Oostenrijk en België ook aan vielen. China moest opnieuw ongelijke verdragen ondertekenen. Zo kreeg Duitsland voor 99 jaar Qingdao, waar zij een bierbrouwerij bouwden (die uitgroeide tot een van de grootste biermerken ter wereld). Ondertussen bleef opium het belangrijkste importproduct.
De Honderd Dagen Hervorming en de Bokseropstand
De Chinese nederlagen versterkten de hervormingsbeweging. Deze werd enthousiast gesteund door de jonge keizer Guangxu. Helaas hield zijn tante Cixi de hervormingen tegen. Samen met westerse invloeden bestuurde zij het land, en zo kwamen er duizenden missionarissen naar China die kerken begonnen te stichten.
Als protest hiertegen ontstond in 1899 een nationalistische volksbeweging van landloze boeren. Deze was niet gericht tegen de dynastie, maar tegen de buitenlanders. Zij kregen de naam Boksers, omdat zij zichzelf “de Vuisten der Rechtvaardigheid” noemden.
In 1900 vond de Bokseropstand plaats, toen de Boksers naar Peking trokken. Cixi besloot hen te steunen. Zij negeerde de oproepen van westerse landen om een eind te maken aan het geweld en verklaarde de buitenlandse mogendheden de oorlog. De Boksers vielen de buitenlandse wijken in Peking aan. Maar er kwamen 8 buitenlandse troepen, en na 55 dagen versloegen zij de Boksers. Weer moest China een vernederend vredesverdrag ondertekenen.
Hierna besloot Cixi alsnog mee te werken aan de modernisering. Zo werd er een grondwet geschreven die voorzag in de instelling van een parlement. Ook werd het mandarijnenstelsel afgeschaft.
Het einde van het keizerrijk
Door de nederlaag van de Boksers was het volk ontevreden over de Qing-dynastie. Het bestuur bleef corrupt en chaotisch. In 1908 overleed Cixi, een dag na de keizer, die zij vermoedelijk zelf had vergiftigd – omdat zij niet wilde dat haar neef weer zou regeren. De troonopvolger werd haar driejarige achterneefje Puyi.
Dit, samen met de buitenlandse straatmaatregelen en grotendeels mislukte hervormingspogingen, maakte een einde aan het hof. De muiterij verspreidde zich over het land en groeide uit tot een democratische revolutie. Begin 1912 trad de keizer af, en werd China een republiek. Na 2100 jaar was er een einde gekomen aan het Chinese keizerrijk.