Opdracht 1

  1. werken
  2. loopt
  3. Heeft
  4. bezocht
  5. beschuldigen
  6. Zit
  7. kwamen, brak
  8. Is

Opdracht 2

  1. Mijn Franse vriendin, zal
  2. Een groep jongeren heeft
  3. De Hotel heeft
  4. zullen de spelers **inversie
  5. zal Ariane **inversie
  6. Een beetje regen mag